Rasit Bal
Er is een afvallige door een paar jonge moslims afgetuigd. Hiermee wordt zoveelste keer ‘bewezen’ dat moslims gewelddadig zijn. Nu worden alle moslims ervan verdacht dat zij elke afvallige die zij tegenkomen onmiddellijk zullen aanvallen. Hierdoor is een discussie op gang gekomen waarin moslims afwezig zijn. De toonzetting daarvan is niet heel erg bemoedigend voor moslims om mee te doen. In deze discussie worden de moslim uitgemaakt voor alles en nog wat. Als moslim ben je ‘dom’ (je snapt het niet), ‘agressief’, ‘gewelddadig’, je ‘luistert niet’ enzovoort. Deze labels worden heel vaak herhaald en dan worden zij de ‘waarheid’. Wat moet je dan als moslim? Je begeven op het publieke podium betekent dat je jezelf verraadt. Dan maar de veiligheid zoeken van de massa. Ik wil het risico nemen dat ik dit beeld bevestig.
Hoe komt het dat moslims ervan verdacht worden dat zij elke moment kunnen overgaan tot geweld als zij een afvallige tegenkomen? Is dit reëel en waarom hebben moslims zoveel moeite om mee te doen met de discussie? Wat wordt hierover in de islamitische theologie gezegd en is dat richtinggevend voor elke moslim? Op deze vragen wil ik proberen een antwoord te vinden. Ik zal eerst ingaan op de historische en theologische achtergrond van de kwestie van afvalligheid.
Niet al te lang na de komst van de openbaring ontstond een gespannen situatie tussen de nieuwe gelovigen (moslims) en hun eigen omgeving. Mekkanen probeerden moslims (vaak familieleden) onder druk te zetten om hun nieuwe geloof te verlaten. Er ontstond een kritieke situatie: zelfs één man kon doorslaggevend zijn, dat één afvallige het evenwicht kan keren waardoor de hele islamitische gemeenschap ten gronde zou kunnen gaan. Juist in die fase zien wij dat God een aantal keren hierop reageert [Bakara 217, Nahl 106, Ali Imran 90, Nisa 137]. Hij keurt zeer stellig af dat mensen onder druk worden gezet om van geloof te veranderen. De gelovigen die toch afvallig worden en/of overlopen dreigt God met straf in het hiernamaals. Als eerste geeft hij aan dat zij daarmee hun goede daden teniet doen (zij hebben veel moeite gedaan om het zover te laten komen), hun berouw niet geaccepteerd wordt en dat zij eeuwig in de hel gestraft worden. Een strafmaat in het ‘hiernumaals’ voor afvalligen komt in de Koran niet voor.
In een betrouwbare overlevering (El Bukhairi overlevering) lezen wij dat de profeet zegt: dood degene die zijn geloof afzweert. In een andere vorm wordt overgeleverd dat de profeet zegt dat het doden van een afvallige toegestaan (halal) is. Daarnaast zijn er een aantal praktijkgevallen van de opvolgers van de profeet waarbij zij de ‘afvalligen’ vervolgen en doden. In de daarop volgende eeuwen hebben de islamitische schriftgeleerden deze kwestie uitvoerig besproken. Het resultaat is dat zij zonder enige uitzondering deze overleveringen als uitgangspunt hebben genomen. Zo is de islamitische jurisprudentie (het geheel van uitspraken van rechters) rondom afvalligheid ontstaan en is er een ‘consensus’ (idjma, overeenstemming) dat afvalligen gedood dienen te worden. De islamitische staat stelt vast wanneer er sprake is dat iemand afvallig is geworden en voert de doodstraf uit. De gelovigen (de onderdanen van de islamitische staat) weten dit en zijn overtuigd dat dit ook zo hoort.
Eeuwenlang hebben de schriftgeleerden en voorgangers deze opstelling ten opzichte van afvalligen uitgedragen en werd de doodstraf voor afvalligheid door de islamitische staat ten uitvoer gebracht. Het kwam uiteraard sporadisch voor dat iemand ‘ex-moslim’ werd. Tot eind negentiende eeuw is deze lijn zonder de bemoeienis van externe krachten gehandhaafd. Onder druk van Frankrijk en Engeland heeft het Ottomaanse Rijk dit voorschrift, via een technisch trucje, buiten werking gesteld. Zo heeft de islamitische staat zich ‘ontdaan’ van deze verplichting. De islamitische staten die volgens dit voorschrift een afvallige willen doden, worden, ook nu, zwaar onder druk gezet waardoor zij heel snel afzien van de uitvoering.
Welke rol speelde de gemiddelde moslim in de benadering van afvalligen? De gewone moslim speelde geen enkele rol in de theologische discussie die destijds werd gevoerd. De schriftgeleerden maakten hun eigen afwegingen en werkten het voorschrift op afvalligheid uit. De gewone moslims speelden ook geen rol bij de handhaving van het voorschrift. Het was immers een staatsaangelegenheid. Het islambeeld van de meeste moslims was eenvoudig: volgens de islam is afvalligheid een doodzonde (kaba’ir) en dienen afvalligen te worden gedood – en dat is de waarheid.
In de huidige discussie wordt de individuele moslim aangesproken op de handhaving van dit voorschrift. Hierdoor wordt de verantwoordelijkheid voor de handhaving verschoven naar de individuele moslim. Zij worden aangezet en uitgedaagd om dit voorschrift ten uitvoer te brengen: als je gelooft dat op afvalligheid de doodstraf staat dan hoor je die ook uit te voeren. Waarom doe je dat niet? Of ga je afstand nemen van het voorschrift? Het is volstrekt verkeerd om de individuele moslim aan te spreken op de handhaving van dit voorschrift. Het is zijn ‘geloof’, maar de handhaving is een taak van de islamitische staat geweest. In Nederland worden de individuele burgers toch ook niet aangesproken op handhaving van het strafrecht? Als wij zien dat iemand steelt dan roepen wij de politie, omdat wij geloven/weten dat diefstal slecht en verboden is. Wij moeten het recht niet in onze hand nemen.
Dit voorschrift van de islam kan dus niet leidend zijn voor een individuele moslim. Dat is ook de reden waarom –de overgrote meerderheid van - de moslims niets doen als zij een afvallige tegenkomen. Het enige wat het oproept is de gedachte: wat gek, hij/zij gaat de hel in. Een soort empathie. Een handjevol moslims dat het recht in eigen hand neemt, de orde verstoort en een afvallige aftuigt moeten krachtig bestreden worden. Daarvoor hebben wij gelukkig het strafrecht en het Openbaar Ministerie.
Het zijn de schriftgeleerden geweest die hebben bedacht (idjtihad) dat de islam doodstraf op de afvalligheid voorschrijft en dat de staat dat ten uitvoer brengt. Zij hebben ervoor gekozen om niet de Koran als uitgangspunt te nemen, terwijl de Koran heel helder is over afvalligheid. In 8ste en 9de eeuw was ‘afvalligheid’ synoniem voor ‘landverraad’ of ‘verraad aan de geloofsgemeenschap’. Afvalligheid werd ook gezien als vorm van ‘verdeeldheid’. Met afvalligheid breng je de geloofsgemeenschap in verwarring. Bovendien was het ook een soort belediging van de islam. Hoe kun je de islam, het ware en laatste volmaakte geloof, verlaten? Aan de keuze van de schriftgeleerden om afvalligheid te bestrijden door de doodstraf liggen dus zeer bijzondere, tijd, plaats en staatsgebonden condities ten grondslag.
Gelukkig is het zo dat de schriftgeleerden dezelfde discussie opnieuw kunnen voeren. Naar aanleiding van thema’s als interreligieuze dialoog, multiculturele samenleving en globalisering gebeurt dat ook. Bovendien is er geen sprake meer van dat een afvallige een islamitisch land of geloofsgemeenschap zou verraden. Relatief veel geleerden en voorgangers beseffen nog onvoldoende dat er sprake is van volstrekt nieuwe verhoudingen. Zij dragen nog steeds het gebod ‘doodstraf op afvalligheid’ uit. Maar daarnaast zijn er ook vele schriftgeleerden die inzien dat er sprake is van andere verhoudingen en dat de ‘doodstraf voor afvalligen’ opnieuw bekeken dient te worden. Dit voorschrift conflicteert met de verklaring van de rechten van de mens, de grondrechten van de mensen die in vele grondwetten zijn vastgelegd. Het conflicteert bovendien ook met een belangrijk beginsel van de islam: ‘er is geen dwang in de religie’.
In de hedendaagse discussies van islamitische geleerden wordt een onderscheid gemaakt tussen geloofsafval als ‘veranderen van overtuiging’ en ‘geloofsafval als landverraad’. De islamitische jurisprudentie neemt de laatste betekenis als uitgangspunt. In alle rechtsscholen wordt afvalligheid in relatie tot ‘verraad’ besproken. Dat is bijvoorbeeld de reden waarom in de hanafitische rechtsschool afvallige vrouwen niet de doodstraf krijgen. Er wordt verondersteld dat zij niet kunnen ‘overlopen’, om te verraden. Het is veel beter deze vrouwen (her) op te voeden, (weliswaar met veel zweepslagen) dan ze te doden. Voorzover ‘verraad’ de grondslag is van dit gebod, is dat zeer goed verdedigbaar. Als deze grondslag wegvalt of niet meer van toepassing is dan vervalt het gebod ook.
De overlevering van de profeet moet dus verstaan worden in het kader van landverraad. Als een volwaardige staatsburger (alleen moslims) het islamitische land verraadt dan kan men volgens deze overlevering handelen. Zonder die overlevering zou op ‘landverraad’ ook doodstraf van toepassing zijn. Dat is ook in democratische rechtsstaten nog steeds de meeste gangbare straf voor landverraders, of deze nu islamitisch zijn of niet. We zien dus dat de politieke machtsverhoudingen heel erg bepalend zijn voor de interpretatie van de bronnen en dat de religieuze bronnen in dienst worden gesteld van de politiek en van de staatsbelangen. Zo wordt via afvalligheid de doodstraf op ‘landverraad’ religieus gelegitimeerd.
Ik ben van mening dat er voor een gemiddelde moslim geen drempels zijn om ‘vrijheid van geloof’ volmondig te onderschrijven en uit te dragen. In de Koran zijn er sowieso geen drempels. Sterker nog, naar mijn mening is het een koranisch beginsel dat mensen hun geloof in alle vrijheid kunnen kiezen. ‘Er is geen dwang in het geloof’ betekent dat het niet zinvol is als iemand zijn geloof onder dwang kiest of behoudt. In ‘geloofszaken’ moeten de mensen hun overtuiging in alle vrijheid bepalen. In de Koran worden de mensen die de ‘keuzevrijheid’ verhinderen sterk afgekeurd.
Deze keuzevrijheid wordt voor moslims zelf echter ten onrechte (vanwege de genoemde overlevering en daarvan afgeleide jurisprudentie) beperkt. Ben ik eenmaal moslim dan wordt mij alles opgelegd en verlies ik mijn vrijheid. Ik mag bijvoorbeeld niet bepalen of ik het dagelijks gebed doe of niet. Wanneer ik dat niet doe, wordt mij het bidden opgelegd. Bij weigering kan mij wegens ‘afvalligheid’ doodstraf opgelegd worden. Deze geloofsdwang vloeit voort uit een beperking van of aanvulling op de openbaring en moet daarom krachtig worden tegengesproken. Wordt een religieus voorschrift of thema aangemerkt als ‘onderdeel van het geloof’ (Ed Dien) dan moet men alle dwangmiddelen vermijden en de persoon in zijn vrijheid laten. Na de keuze moet hij/zij zijn geloof kunnen tonen en uitdragen.
Een ander beginsel van de Koran is dat ‘geloven’ authentiek moet zijn. Dat is alleen het geval als mensen hun geloof in vrijheid en uit overtuiging kiezen. Wat heeft god aan een geloof dat of daad die onder dwang is gekozen? God laat zich leiden door het geloof dat mensen in hun hart hebben. In de islamitische theologie wordt ‘na-apen in geloof’ sterk afgeraden en zelfs ongeldig verklaard. Met deze geloofsdwang wordt bovendien de ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘aansprakelijkheid’ van de mens ondergraven. Het wordt mensen onmogelijk gemaakt om te bepalen wie zij willen zijn en wat zij uit vrije wil bereid zijn te geloven. Dat is fundamenteel in strijd met de islamitische kernbeginselen. Daarom moet elke vorm van geloofsdwang worden bestreden. Dat moet krachtiger als sommige moslims hun dwang en geweld legitimeren met de islam. Bescherming van de islam tegen misbruik is een taak van moslims, met name van de geleerde moslim.
In Nederland worden moslims uitgedaagd om kleur te bekennen. Vooral als het gaat om grondbeginselen van Nederland waarvan zij burgers zijn. De valkuil is dat moslims, reactief, zichzelf in een positie manoeuvreren waarin zij deze beginselen ten onrechte verwerpen. Daarmee kunnen zij ook de grondbeginselen van de islam verwerpen. Mensen als Jami en Wilders mogen hun zin niet krijgen door de grondbeginselen zo te gijzelen.
| Rasit Bal (43 jaar) komt oorspronkelijk uit Turkije. Sinds de jaren 90 is hij betrokken bij het islamitisch onderwijs als bestuurder en oprichter. Hij was beleidsmedewerker en directeur van ISBO (koepel van de islamitische scholen). Sinds twee jaar is hij als projectleider en coördinator betrokken bij de imamopleiding. Daarnaast is hij bestuurslid van het CMO (Contactorgaan Moslims en Overheid) en NIF (Nederlandse Islamitische Federatie). |



