Het water van de imam van Melillia
Salima Essakkati
Gisteren ging ik met een Nederlandse vriendin voor de tweede keer naar het oude Spaanse stadje Melillia. Thuis bij mijn oma herenigden vrouwelijke familieleden van mijn oma zich voor de couscous. Het was ter ere van het nieuwe huis van mijn oma, die pas na jaren eindelijk een officiële status kreeg voor haar huis.
Als Nederlandse Marokkaan kreeg je extra veel controle van de Marokkaanse douane; eerst een blanco briefje invullen, daarna naar een loket, paspoort laten onderstempelen en daarna weer naar een andere douanier om je paspoort in te laten checken, terwijl de echte Marokkanen met tapijten en gevulde waterflessen bijna rennend over de grens gaan met enkel een identiteitskaart.
Aangekomen in Melillia begonnen we rond te slenteren in de middeleeuws aandoende Spaanse burcht die elke bezoeker imponeert. Als een oude gelige berg omzoomt hij de stad en vanuit deze burcht heb je een panorama-uitzicht over de Middellandse zee.
In de burcht kwam mijn vriendin een hondje tegen dat veel weg had van een zwerfhond. De hond liep vrij rond in de burcht. Hij was nieuwsgierig naar ons en keek ons aan om te zien wat we wilden. Mijn vriendin zag dit als een teken en hoopte op een gidswaardige rondleiding door dit hondje, maar de hond leek zich niet met ons te willen inlaten en begon zich uitgebreid te krabben. We liepen door.
Toen begon een Spaanse man tegen ons te praten die zo weg leek te komen uit ‘el Andalus’. Hij zei dat het wel grappig was, deze niet-Moorse dames gekleed in Arabische djellaba’s.
Hierop antwoordde ik luid en trots dat ik wel een Arabische was. “En wie bent u? Ook Arabier?”, vroeg ik. “Nooo, christianos....... ik ben van een eeuwenoude christelijke familie in Melillia.” Toch waren zijn Arabische trekken erg herkenbaar. Wellicht een conversos, een nazaat van een islamitische bekeerling, een Morisco. Hij woonde in de burcht, waarop renaissancestijl huizen waren gebouwd die op de zee uitkeken.
Terwijl we verder liepen door de burcht zagen we een kleine hondenhok en een kussen, waarschijnlijk het onderkomen van de zwerfhond die in de burcht woonde. Ook al was ik geen echte hondenliefhebber zoals mijn vriendin, toch had dit tafereel iets schattigs; het hondje was waarschijnlijk het beschermhondje van de kolossale burcht.
We liepen verder naar een churro-zaak waar een Berberse man heerlijke churro’s bakte, een soort donuts, die je met muntthee kon drinken. Ik vond deze stad heerlijk, vooral omdat ik er met mijn Berbers heel goed uit de voeten kon, omdat bijna elke Spanjaard een Berber blijkt te zijn.
Ook in dit restaurantje bleken we op te vallen in onze smaragdgroene djellaba’s. Een Spaans meisje maakte zelfs een foto van ons, alsof zij de toeriste was en niet wij.
De reden voor mij om naar deze Spaanse stad te gaan was om informatie te verzamelen over de laatste joden van de rif. Ik kreeg van Shimon Levy, de directeur van het Joodse museum in Casablanca, te horen dat de laatste Joden van de Rif waarschijnlijk naar Melillia zijn geëmigreerd, dat op loopafstand van Nador lag. Het was echter zondag en alle organisaties waren gesloten op deze dag, behalve de talrijke kerkjes.
Het joodse verleden was niet het enige dat mij naar deze stad bracht. Ik was ook op zoek naar de moskee van de opa van mijn oma: imam sih Mimoun. Ik kwam uit bij een duizend-en-een-nacht aandoende moskee, die ook iets weg had van de Portugese Synagoge in Amsterdam. De muur was aardegeel en had heerlijk sierlijke en speelse Arabisch-Spaanse vormen en kleuren en was het imposantste gebouw van de Parrada. Hier, in dit gebouw, gaf mijn over-overgrootvader les.
Ondertussen viel de avond. Buiten zat een aantal Arabische mannen geanimeerd met elkaar te praten. Mijn doel was om wat bronwater mee naar huis te nemen uit de fonteinen die buiten deze moskee stroomden. Ik had echter geen lege fles bij me. Ik vroeg een oude man of er geen lege flessen in de moskee waren. Hij ging hierop naar een winkel toe en haalde een literfles bronwater voor me, denkend dat ik gewoon wat water wilde. Ik legde toen uit dat ik een achterkleindochter was van imam sih Mimoun en dat ik wat water wilde halen uit ‘zijn’ moskee. Hij verraste me toen hij zei dat hij een leerling van hem was. Meer dan zestig jaar geleden kreeg hij koranles in dit gebouw van mijn overgrootvader.
Wetende dat ik afstammelinge ben van deze imam kon hij het niet laten om mij een preek te geven over het nut van een hoofddoek en van het vijfdagelijkse gebed. Ik kon er natuurlijk niks tegen in brengen, ik opdonder uit het westerse Europa, die zo weinig van de islam afweet. Met al mijn vrijgevochtenheid en modernisme kon ik weinig inbrengen tegen het charisma van deze oude man die veel dingen zeker leek te weten over het leven.
Ik vertelde dat het dragen van een hoofddoek heel moeilijk is in Europa. Hierop zei hij dat hij ook wel graag in pak wil lopen met stropdas, maar dat hij toch weet dat een djellaba en baard het beste zijn, omdat god hem hiervoor in het hiernamaals zal belonen. Alhoewel ik niet overtuigd was van het nut van een hoofddoek, heeft het vertrouwen en het geloof van deze man toch indruk op me gemaakt. Deze les in vertrouwen en geloof wilde ik ter harte nemen. De man ging de moskee in en bracht de fles met water gevuld weer terug: “Ik heb deze fles gevuld met water uit de kraan waarmee jou overgrootvader zich ritueel waste.”
Met deze fles in mijn handen keerde ik terug naar Nador. Ik kwam voor het joodse verleden van de rif en ik ging naar huis met een fles water uit de kraan van mijn over-overgrootvader die imam was van Melillia.

![]() |
|---|
|
Salima Essakkati [1979] studeerde rechten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Tijdens haar studie heeft ze ondervonden dat jongeren behoefte hebben aan een creativiteitstimulerende omgeving om zich ten volle te kunnen ontwikkelen. Juist nu Nederland zich wereldwijd als creatief innovatieland wil profileren, moet aan talentvolle jongeren een speelarena worden geboden waarin zij hun talenten kunnen uiten. Door onderzoek en politieke initiatieven wil Salima meehelpen deze speelarena te promoten. Daarnaast is zij ambassadeur bij het COC voor de emancipatie van holebi’s met een islamitische achtergrond en doet ze onderzoek naar het (vergeten) joodse verleden van de Rif in Marokko. |




